Doorgaan naar hoofdcontent

Hecht

De dans van de empaat en de vermijdende

Er bestaat een oude dans, gedanst zonder muziek. Een choreografie van aantrekken en afstoten, van hunkering en terugtrekken.
De empaat reikt uit: met warmte, met aanwezigheid, met woorden die bruggen willen slaan.
De vermijdende wijkt: niet uit onwil, maar uit een oeroud reflex, een innerlijk alarmsysteem dat fluistert dat nabijheid gevaarlijk is.

Zo ontstaat de push en pull, de chase en run.
De empaat gelooft dat meer geven misschien het verschil kan maken. De vermijdende voelt dat als druk, en trekt zich nog verder terug. Het spel houdt zichzelf in stand zolang de empaat blijft terugkeren.

Het keerpunt

Op een dag stopt de empaat met terugkomen. Niet uit kilte, maar uit wijsheid.
Daar, in de stilte die volgt, beseft de vermijdende: deze keer komt er niemand meer achter mij aan. Het is alsof iemand op de rand van een klif staat en merkt dat de ander eindelijk de veiligheid van de vlakte heeft gekozen, in plaats van steeds dichter bij de afgrond te worden geduwd.

Voor de empaat werkt dit als magie. Want in die stilte begint een heling:
– de stap weg van het angstige gehecht zijn,
– de beweging naar binnen,
– het leren zichzelf graag te zien.

De nasleep

Voor de vermijdende zou dit hetzelfde kunnen zijn: een uitnodiging tot heling, tot het aanvaarden dat liefde geen bedreiging is. Soms gebeurt dat. Vaak ook niet.
De extreem-vermijdende bedoelt niets persoonlijk – in tegenstelling tot een narcist. Het is geen bewuste wreedheid, maar een levenslange strijd met het eigen zenuwstelsel, met de reflex om weg te lopen van datgene wat tegelijk het meest verlangd en het meest gevreesd wordt.

Wie wegloopt van liefde, doet dat altijd met een reden – soms zelfs zonder die reden te kennen.
En toch: de dans kan pas eindigen wanneer de empaat besluit niet langer het toneel te betreden.

En in dat einde schuilt de rijkdom: ervaring, inzicht, en de ontdekking dat heling niet gevonden wordt in de ander, maar in de terugkeer naar jezelf. ©at




Reacties

Populaire posts van deze blog

Eindejaarsbiecht

Het afgelopen jaar bracht mij inzichten. Niet het soort inzichten dat je netjes kan noteren in een schriftje, maar inzichten die confronteren, ontregelen en iets afbreken waarvan je dacht dat het je had gevormd — terwijl het je eigenlijk had misvormd. Inzichten zijn welkom, zegt men. Wat men er zelden bij zegt, is dat ze vaak gepaard gaan met rouw. Ik heb dit jaar beslist dat ambitie voor mij geen richting meer is. Doelen wel, maar ambitie als opstijgen, als jezelf voorbijlopen, als hoger, sneller, scherper: ik ben daar niet voor gemaakt. Of misschien beter: ik ben daar niet meer toe bereid. Ik heb lang geloofd dat intellectuele bevrediging een vorm van geluk kon zijn. Altijd maar denken, analyseren, verdiepen, verfijnen. Het heeft mij veel geleerd, maar geen rust gebracht. Wat mij wél iets bracht, was de ontmoeting met leerlingen en studenten. Mensen die mij lieten zien — soms woordeloos, soms expliciet — dat ik iets kan doorgeven. Dat ik iemand ben die (aan)leert, begeleidt, openz...

De onvoltooide man

Drie jaar lang stond ik naast iemand, die tegelijk man was en jongen — en die beide gestalten voortdurend in elkaar lieten overlopen, alsof zijn binnenwereld nog niet had beslist welke leeftijd hij werkelijk wilde zijn. In het begin zag ik daarin iets ontwapenends: een soort lichtheid, een levenskracht, dat vonkje dat je vaker ziet bij mensen die nog geloven dat het leven zou kunnen beginnen zodra ze eraan toe zijn. Tot ik las over wat Marie-Louise von Franz beschrijft als de puer aeternus : de eeuwige jongen die weigert af te dalen in de concrete wereld. Die opgroeit in een fantasieruimte vol mogelijkheden, maar nooit de stap maakt naar verantwoordelijkheid, kiezen, gronden, wortelen. Niet uit koppigheid, maar uit angst. En toen viel hij ineens in dat kader. Niet als diagnose, maar als herkomst. Von Franz schrijft dat de puer leeft op plekken waar hij niet hoeft te blijven. In ideeën, in dromen, in verhalen die altijd nét voor hun realiteit stoppen. Hij blijft zweven boven de aard...

The touch

There are days when the body forgets it is a body. It moves, it functions, it answers its name, but somewhere beneath the surface it drifts— a house with the lights on, quietly empty. The touch brings it back. Not the kind that asks for meaning or leans toward a future it wants to claim. This touch carries no expectation. It arrives the way warmth reaches cold skin, without questions. Skin knows what words refuse to hold. It recognizes the weight of another presence, the simple proof of not being alone. A hand resting where it is allowed to rest. Arms forming a shape in which breathing becomes easier. There is something profoundly human about being held when you no longer know how to gather yourself. Nothing needs to be solved. Nothing needs to be named. Two bodies simply agreeing to remain. The warmth does not perform. It does not shimmer. It settles. It tells the watchful parts of you that they may loosen their grip. And when that touch is gone— when you return to the quiet edge of y...