Doorgaan naar hoofdcontent

De onvoltooide man

Drie jaar lang stond ik naast iemand, die tegelijk man was en jongen — en die beide gestalten voortdurend in elkaar lieten overlopen, alsof zijn binnenwereld nog niet had beslist welke leeftijd hij werkelijk wilde zijn. In het begin zag ik daarin iets ontwapenends: een soort lichtheid, een levenskracht, dat vonkje dat je vaker ziet bij mensen die nog geloven dat het leven zou kunnen beginnen zodra ze eraan toe zijn.

Tot ik las over wat Marie-Louise von Franz beschrijft als de puer aeternus: de eeuwige jongen die weigert af te dalen in de concrete wereld. Die opgroeit in een fantasieruimte vol mogelijkheden, maar nooit de stap maakt naar verantwoordelijkheid, kiezen, gronden, wortelen. Niet uit koppigheid, maar uit angst.

En toen viel hij ineens in dat kader. Niet als diagnose, maar als herkomst.

Von Franz schrijft dat de puer leeft op plekken waar hij niet hoeft te blijven. In ideeën, in dromen, in verhalen die altijd nét voor hun realiteit stoppen. Hij blijft zweven boven de aarde, omdat aarden gevaarlijk voelt: te concreet, te definitief, te beladen. Zijn verbeelding is zijn toevlucht, maar ook zijn gevangenis.

Ik zag dat bij hem. Hij bewoog zich haast vanzelf in een wereld die hij zelf had ontworpen — een wereld van plannen in potlood, van projecten die beginnen in enthousiasme maar eindigen in verdamping. Een wereld waar morgen altijd beter lijkt dan vandaag, omdat morgen nog niet tastbaar is.

Hij had het lichaam van een man, maar een innerlijke wereld die meer leek op die van Peter Pan: de jongen die weigert op te groeien, niet omdat hij slecht is, maar omdat het volwassen leven voelt als een plek waar hij nooit de wegwijzers heeft gekregen. En ik zeg dit zonder spot. Ik zeg het met begrip. Peter Pan is geen grap — hij is een symptoom van iemand die nooit heeft geleerd om op de aarde te staan zonder dat iemand anders hem draagt.

Zijn achtergrond maakte dat pijnlijk duidelijk: te vroeg geboren, omringd door angst en bescherming in plaats van door vertrouwen. Een moeder die hem met al haar liefde omhooghield — en hoe mooi dat ook is, het is geen bodem. Daardoor leerde hij niet hoe je jezelf draagt, hoe je stilaan zakt in de grond die jouw leven moet worden.

En als je nooit hebt geleerd te aarden, wordt elke vorm van realiteit bedreigend: relaties, verantwoordelijkheden, keuzes, intimiteit. Niet omdat hij ze niet wil — maar omdat hij niet weet hoe het voelt wanneer de grond onder je voeten betrouwbaar is.

In die zin leek hij soms op De Kleine Prins van Saint-Exupéry: iemand die prachtig kan kijken, verwonderd kan spreken, maar die verdwaalt zodra er volwassen kaders om hem heen verschijnen. Een prinsje dat liever op asteroïden leeft dan op aarde. De eenzaamheid die daarbij hoort, is groot, maar ze is ook vertrouwd.

En ik… ik stond daar als een mens die wél gegrond is. Iemand die luistert, tilt, aanmoedigt. Iemand die zegt: “Ik zie wat je zou kunnen zijn.” Niet omdat ik hem wilde redden, maar omdat ik dat nu eenmaal zie in mensen: de contour van wat er mogelijk wordt, zodra ze hun voeten in hun eigen aarde durven zetten.

Maar bij hem merkte ik langzaam dat zijn wereld geen wervelwind was waaruit hij zou opstijgen, maar een beschermende nevel waar hij niet uit durfde te stappen. Fantasie was zijn zuurstof. Confrontatie zijn grootste angst. En ik voelde bijna fysiek dat hij niet kon dalen in zichzelf, laat staan in een gedeelde realiteit met mij.

Dat inzicht maakte me niet boos. Het maakte me mild.

Het bracht me bij mijn eigen aandeel: waarom voelde ik mij verantwoordelijk voor iemand die geen vaste grond kende? Waarom riep mijn zachtheid een honger bij hem op? Waarom bleef ik zo lang hopen dat hij de stap zou zetten die hij nog nooit gezet had?

Niet om schuld te zoeken, maar om te begrijpen. En precies door dat begrijpen kon ik verzachten.

Ik zie nu dat sommige mensen niet “weigeren” om volwassen te worden; ze kennen het pad simpelweg niet. Ze hebben een binnenkant die niet meegekomen is, en dat besef geeft ruimte — ruimte om hen niet te veroordelen, en ook om mezelf niet te veroordelen voor mijn verlangen om te helpen.

Wat er overblijft, is geen wrok. Geen teleurstelling. Alleen een warme helderheid:
een erkenning dat onze werelden elkaar even raakten, maar niet konden verbinden.

In die zachtheid zit mijn vergeving.
Niet uitgesproken, maar voelbaar.
Omdat ik begrijp waar hij vastzat
en waar ik misschien te lang ben blijven wachten
op iemand die nog niet bij zichzelf was aangekomen.

©at

P.S.: Veel kenmerken doen me denken aan ADHD en aan het verhaal van de roekeloze Icarus. 

Meer informatie - Unpacking Ideas Podcast 

https://open.spotify.com/episode/5pQXv1jPOJGVywvsgnjvJW?si=0cdfc0c445074650




Reacties

Populaire posts van deze blog

Eindejaarsbiecht

Het afgelopen jaar bracht mij inzichten. Niet het soort inzichten dat je netjes kan noteren in een schriftje, maar inzichten die confronteren, ontregelen en iets afbreken waarvan je dacht dat het je had gevormd — terwijl het je eigenlijk had misvormd. Inzichten zijn welkom, zegt men. Wat men er zelden bij zegt, is dat ze vaak gepaard gaan met rouw. Ik heb dit jaar beslist dat ambitie voor mij geen richting meer is. Doelen wel, maar ambitie als opstijgen, als jezelf voorbijlopen, als hoger, sneller, scherper: ik ben daar niet voor gemaakt. Of misschien beter: ik ben daar niet meer toe bereid. Ik heb lang geloofd dat intellectuele bevrediging een vorm van geluk kon zijn. Altijd maar denken, analyseren, verdiepen, verfijnen. Het heeft mij veel geleerd, maar geen rust gebracht. Wat mij wél iets bracht, was de ontmoeting met leerlingen en studenten. Mensen die mij lieten zien — soms woordeloos, soms expliciet — dat ik iets kan doorgeven. Dat ik iemand ben die (aan)leert, begeleidt, openz...

The touch

There are days when the body forgets it is a body. It moves, it functions, it answers its name, but somewhere beneath the surface it drifts— a house with the lights on, quietly empty. The touch brings it back. Not the kind that asks for meaning or leans toward a future it wants to claim. This touch carries no expectation. It arrives the way warmth reaches cold skin, without questions. Skin knows what words refuse to hold. It recognizes the weight of another presence, the simple proof of not being alone. A hand resting where it is allowed to rest. Arms forming a shape in which breathing becomes easier. There is something profoundly human about being held when you no longer know how to gather yourself. Nothing needs to be solved. Nothing needs to be named. Two bodies simply agreeing to remain. The warmth does not perform. It does not shimmer. It settles. It tells the watchful parts of you that they may loosen their grip. And when that touch is gone— when you return to the quiet edge of y...