Doorgaan naar hoofdcontent

Eindejaarsbiecht

Het afgelopen jaar bracht mij inzichten. Niet het soort inzichten dat je netjes kan noteren in een schriftje, maar inzichten die confronteren, ontregelen en iets afbreken waarvan je dacht dat het je had gevormd — terwijl het je eigenlijk had misvormd.

Inzichten zijn welkom, zegt men. Wat men er zelden bij zegt, is dat ze vaak gepaard gaan met rouw.

Ik heb dit jaar beslist dat ambitie voor mij geen richting meer is. Doelen wel, maar ambitie als opstijgen, als jezelf voorbijlopen, als hoger, sneller, scherper: ik ben daar niet voor gemaakt. Of misschien beter: ik ben daar niet meer toe bereid. Ik heb lang geloofd dat intellectuele bevrediging een vorm van geluk kon zijn. Altijd maar denken, analyseren, verdiepen, verfijnen. Het heeft mij veel geleerd, maar geen rust gebracht.

Wat mij wél iets bracht, was de ontmoeting met leerlingen en studenten. Mensen die mij lieten zien — soms woordeloos, soms expliciet — dat ik iets kan doorgeven. Dat ik iemand ben die (aan)leert, begeleidt, openzet. Misschien was dat altijd al voldoende. Misschien heb ik dat pas nu durven erkennen.

Ik heb ook geleerd dat versnippering mij niet dient. Multitasken is voor mij geen talent, maar een vorm van innerlijke chaos. Twee meesters dienen is geen rijkdom, maar frictie. Zelfs het combineren van een eigen praktijk met onderwijs vraagt van mij meer dan het oplevert. Wat voor anderen werkt, werkt niet noodzakelijk voor mij. Dat is geen falen, dat is zelfkennis.

Het schrijversproces heeft daarin een sleutelrol gespeeld. Schrijven confronteerde mij harder dan acteren ooit deed. Harder dan zingen. Harder dan spelen. De weerstand was groter, de worsteling dieper. Omdat schrijven niets toelaat om je achter te verbergen. Woorden leggen bloot in welke mate je trouw bent aan jezelf. Je kan niet fraseren wat je niet durft voelen. Je kan geen zin bouwen zonder positie in te nemen.

In dat proces ben ik ook zwaar geconfronteerd met narcisme. Niet als concept, maar in retrospectief, in flarden, in herkenning. Ik heb moeten erkennen hoe huiselijk geweld en het opgroeien met een narcistische moeder complexe posttraumatische stress hebben veroorzaakt — een emotionele lading die nooit volledig verdwijnt. Intellectueel begrijpen helpt, maar geneest niet. Emoties kapotdenken brengt geen bevrijding.

Ik heb geleerd om kritisch te blijven tegenover spiritualiteit. Goeroes zijn niet immuun voor narcisme. Gedwongen trajecten, eindeloze sessies, financiële leegloop — het belooft heling maar creëert afhankelijkheid. Voor iemand met complexe stress kan meditatie zelfs gevaarlijk zijn. Dissociatie ligt op de loer. Intuïtie terugvinden: ja. De kern versterken: ja. Controle verliezen, substanties gebruiken, realiteit verlaten: nee. Balans vraagt geen blind geloof, maar wakker denken.

Ook de liefde is dit jaar ontmanteld. Ik sta daar nu op ground zero. Niet omdat ik geen liefde wil, maar omdat mijn vertrouwen verdwenen is. Mijn ogen zijn opengegaan voor hoe diep narcisme doorwerkt in relaties en partnerkeuzes. Wanneer je patronen ziet die je niet meer kan ont-zien, blijft er eerst leegte over. Geen romantiek. Geen belofte. Alleen nuchterheid.

Mijn kinderen worden ouder. Ze hebben mij minder nodig. De verbinding verandert. Dat doet pijn, maar het is geen verlies. Liefde verdwijnt niet wanneer ze minder nodig is. Ze verandert van vorm.

En dan is er nog de druk om te optimaliseren. Anti-aging als levensdoel. Fitness, supplementen, collageen, magnesium, smeren, bijsturen, controleren. Ik word daar moe van. Wanneer zorg een project wordt, raak ik mezelf kwijt. Het leven moet geleefd worden in het echt, niet voortdurend in het hoofd.

Dit is mijn eindejaarsconclusie:
ik kies voor richting boven ambitie
voor realiteit boven illusie
voor rust boven optimalisatie.

Rust is geen pauze van het leven.
Wel een manier van leven.

Warmte, liefde en tonnen moed voor 2026! 🎇🎆
©at



Reacties

Populaire posts van deze blog

De onvoltooide man

Drie jaar lang stond ik naast iemand, die tegelijk man was en jongen — en die beide gestalten voortdurend in elkaar lieten overlopen, alsof zijn binnenwereld nog niet had beslist welke leeftijd hij werkelijk wilde zijn. In het begin zag ik daarin iets ontwapenends: een soort lichtheid, een levenskracht, dat vonkje dat je vaker ziet bij mensen die nog geloven dat het leven zou kunnen beginnen zodra ze eraan toe zijn. Tot ik las over wat Marie-Louise von Franz beschrijft als de puer aeternus : de eeuwige jongen die weigert af te dalen in de concrete wereld. Die opgroeit in een fantasieruimte vol mogelijkheden, maar nooit de stap maakt naar verantwoordelijkheid, kiezen, gronden, wortelen. Niet uit koppigheid, maar uit angst. En toen viel hij ineens in dat kader. Niet als diagnose, maar als herkomst. Von Franz schrijft dat de puer leeft op plekken waar hij niet hoeft te blijven. In ideeën, in dromen, in verhalen die altijd nét voor hun realiteit stoppen. Hij blijft zweven boven de aard...

The touch

There are days when the body forgets it is a body. It moves, it functions, it answers its name, but somewhere beneath the surface it drifts— a house with the lights on, quietly empty. The touch brings it back. Not the kind that asks for meaning or leans toward a future it wants to claim. This touch carries no expectation. It arrives the way warmth reaches cold skin, without questions. Skin knows what words refuse to hold. It recognizes the weight of another presence, the simple proof of not being alone. A hand resting where it is allowed to rest. Arms forming a shape in which breathing becomes easier. There is something profoundly human about being held when you no longer know how to gather yourself. Nothing needs to be solved. Nothing needs to be named. Two bodies simply agreeing to remain. The warmth does not perform. It does not shimmer. It settles. It tells the watchful parts of you that they may loosen their grip. And when that touch is gone— when you return to the quiet edge of y...