Doorgaan naar hoofdcontent

Trauma en relaties

Waarom je altijd valt op de verkeerde partner (en hoe trauma je liefdesleven saboteert)

Ben je gewend aan afwijzing? Dan voelt liefde als een schimmige black box vol misverstanden. Je denkt dat je iemand hebt gevonden die je ziet, hoort, begrijpt—maar voor je het weet, voel je je alweer aangetrokken tot een "Emotioneel Onbereikbare". 

Waarom? Omdat trauma je brein subtiel heeft gehackt. Een jeugd waarin je emoties als ‘te veel’ werden bestempeld, waarin kwetsbaarheid niet veilig voelde en je vooral leerde dat je niet moest rekenen op liefdevolle consistentie, heeft je voorkeuren geprogrammeerd. Je bent niet op zoek naar liefde; je bent op zoek naar (h)erkenning. En als wat je kent afwijzing, onvoorspelbaarheid en emotionele honger is, voelt een stabiele, aanwezige partner gewoon… raar.

Broodkruimels smaken als een feestmaal

Als kind leerde je overleven met emotionele broodkruimels. Een half compliment, een kort moment van aandacht? Je sprong erop als een uitgehongerde straatkat. Dus als volwassene voelt het normaal om genoegen te nemen met iemand die “toch af en toe laat zien dat hij om je geeft.” En als hij drie dagen niets van zich laat horen? Ach, hij heeft het druk. Toch?

Nee. Even verduidelijken: liefde is geen spaarzame traktatie die je moet verdienen door je best te doen. Maar als je bent opgegroeid met de overtuiging dat je lastiger wordt naarmate je meer verlangt, leer je jezelf tevreden te stellen met een minimum. En zo blijf je hangen bij partners die net genoeg geven om je te laten hopen op meer.

Liefde als emotionele escape room

Het tragische (en eerlijk gezegd, absurde) aan complex trauma is dat relaties onbewust een test worden: “Als ik nu maar net iets minder lastig ben, dan blijft hij misschien.” Je stelt je grenzen bij, rationaliseert ongeïnteresseerd gedrag en blijft hopen dat hij ooit ziet hoe waardevol je bent. Maar laten we eerlijk zijn: liefde hoort geen escape room te zijn waarin je eindeloos puzzelstukjes probeert te vinden om ‘waardig’ te zijn.

Veilige liefde voelt eerst onveilig

Het ironische is dat de veilige partners—degene die wel consistent zijn, die aanwezig zijn, en vragen hoe je dag was zonder verborgen agenda—je zenuwachtig maken. Want wie zou dat ooit voor jou kunnen opbrengen? Je brein, gewend aan onzekerheid, ruikt gevaar bij stabiliteit. “Dit is verdacht,” denk je. “Dit voelt niet spannend genoeg.”

En daar schuilt het venijn: veilige liefde lijkt in het begin saai, omdat je zenuwstelsel geprogrammeerd is voor pieken en dalen. Maar geloof me: stabiele mensen zijn goud. Ze geven je ruimte om te ademen, om te zijn zonder dat je jezelf hoeft te verantwoorden of aan te passen.

Veiligheid is sexy (echt waar)

Na jaren ploeteren in de liefde kwam ik erachter dat ik eigenlijk maar één fundamentele behoefte heb: veiligheid. En alles wat daaruit voortkomt—geborgenheid, stabiliteit, betrokkenheid—is wat een liefde echt voedt. Gelukkig heb ik in (of via) mijn loopbaan mensen mogen ontmoeten die wél die veiligheid boden. En man, wat een verademing.

In een wereld die voortdurend verandert, waarin alles moet en prikkels overal zijn, is veiligheid het ultieme tegengif. Maar het wordt zwaar onderschat, omdat we allemaal getraind zijn om achter dopamine, avontuur en uitdaging aan te rennen. Toch is er niks mis met een beetje rust. En als je iemand vindt die echt aanwezig is, die niet wegloopt als het even moeilijk wordt—koester die persoon. Want veilige liefde is geen sleur. Het is vrijheid.

©at - 2025




Reacties

Populaire posts van deze blog

Eindejaarsbiecht

Het afgelopen jaar bracht mij inzichten. Niet het soort inzichten dat je netjes kan noteren in een schriftje, maar inzichten die confronteren, ontregelen en iets afbreken waarvan je dacht dat het je had gevormd — terwijl het je eigenlijk had misvormd. Inzichten zijn welkom, zegt men. Wat men er zelden bij zegt, is dat ze vaak gepaard gaan met rouw. Ik heb dit jaar beslist dat ambitie voor mij geen richting meer is. Doelen wel, maar ambitie als opstijgen, als jezelf voorbijlopen, als hoger, sneller, scherper: ik ben daar niet voor gemaakt. Of misschien beter: ik ben daar niet meer toe bereid. Ik heb lang geloofd dat intellectuele bevrediging een vorm van geluk kon zijn. Altijd maar denken, analyseren, verdiepen, verfijnen. Het heeft mij veel geleerd, maar geen rust gebracht. Wat mij wél iets bracht, was de ontmoeting met leerlingen en studenten. Mensen die mij lieten zien — soms woordeloos, soms expliciet — dat ik iets kan doorgeven. Dat ik iemand ben die (aan)leert, begeleidt, openz...

De onvoltooide man

Drie jaar lang stond ik naast iemand, die tegelijk man was en jongen — en die beide gestalten voortdurend in elkaar lieten overlopen, alsof zijn binnenwereld nog niet had beslist welke leeftijd hij werkelijk wilde zijn. In het begin zag ik daarin iets ontwapenends: een soort lichtheid, een levenskracht, dat vonkje dat je vaker ziet bij mensen die nog geloven dat het leven zou kunnen beginnen zodra ze eraan toe zijn. Tot ik las over wat Marie-Louise von Franz beschrijft als de puer aeternus : de eeuwige jongen die weigert af te dalen in de concrete wereld. Die opgroeit in een fantasieruimte vol mogelijkheden, maar nooit de stap maakt naar verantwoordelijkheid, kiezen, gronden, wortelen. Niet uit koppigheid, maar uit angst. En toen viel hij ineens in dat kader. Niet als diagnose, maar als herkomst. Von Franz schrijft dat de puer leeft op plekken waar hij niet hoeft te blijven. In ideeën, in dromen, in verhalen die altijd nét voor hun realiteit stoppen. Hij blijft zweven boven de aard...

The touch

There are days when the body forgets it is a body. It moves, it functions, it answers its name, but somewhere beneath the surface it drifts— a house with the lights on, quietly empty. The touch brings it back. Not the kind that asks for meaning or leans toward a future it wants to claim. This touch carries no expectation. It arrives the way warmth reaches cold skin, without questions. Skin knows what words refuse to hold. It recognizes the weight of another presence, the simple proof of not being alone. A hand resting where it is allowed to rest. Arms forming a shape in which breathing becomes easier. There is something profoundly human about being held when you no longer know how to gather yourself. Nothing needs to be solved. Nothing needs to be named. Two bodies simply agreeing to remain. The warmth does not perform. It does not shimmer. It settles. It tells the watchful parts of you that they may loosen their grip. And when that touch is gone— when you return to the quiet edge of y...