Doorgaan naar hoofdcontent

Rob, Ans en het buffet der illusies

Laatst, ergens tussen de slokdarm en mijn eerste kop koffie van de dag, kreeg ik bezoek. Niet van het soort dat je vriendelijk vraagt of ze nog een tweede kopje thee willen. Nee, dit bezoek was bruut, opdringerig en zonder enige vorm van fatsoen. Enter: Rob en Ans. Twee maagzweren, ja hoor, die dachten het gezellig te maken mijn maag. Ze hadden zich al aardig gesetteld toen ik ze eindelijk de namen gaf die ze verdienden: Rob, de grote, lompe zwerende stoorzender, en Ans, zijn kleine, maar niet minder irritante sidekick.

Rob, een echte no-nonsense figuur, komt binnen als een olifant in een porseleinkast. En laat die kast nu net mijn maag zijn. Geen schroom, geen spijt. Hij ploegt door mijn maaltijden heen alsof ze een veld zijn vol verse pannenkoeken en ik het buffet maar niet wil verlaten. Rob is de schreeuwer van het stel, de pijnlijke herinnering dat alles wat ik slik – letterlijk én figuurlijk – op een dag bij hem terechtkomt. 

Ans, hoewel kleiner en subtieler, is net zo kwaadaardig. Ze is de sardonische glimlach die je krijgt na je derde bord van het all-you-can-eat buffet. Je weet wel, dat moment waarop je eigenlijk nog een ijsje wilt pakken, maar je maag je al waarschuwt dat je speelruimte op is. Ans zit altijd op de achtergrond, fluistert zachtjes: "Nog een idee erbij, joh. Neem die desillusie, die lijkt heerlijk verteerbaar!" En zoals altijd ga ik overstag.

Want zeg nu zelf, wat is er verleidelijker dan een heerlijk buffet vol met illusies? Die onweerstaanbare leugen dat je álles kunt. Dat je nooit iets zult missen. Dat het gras groener is, de portemonnee voller, de toekomst stralender. Rob en Ans juichen me aan terwijl ik gulzig hap van de belofte dat ik alles in het leven kan hebben als ik maar harder werk, meer op mijn bord schep en nergens nee tegen zeg. 

Maar, zoals dat gaat met buffetten, komt er altijd een moment waarop het fout gaat. Je bent aan je vijfde bord bezig en ineens, bam, krijg je het benauwd. Wat eerst zo lekker leek – de dromen van perfectie, het idee dat je overal tegelijk kunt zijn, alles kunt eten zonder ooit misselijk te worden – blijkt een indigestie op gang te brengen die zelfs je ziel raakt. Rob en Ans kloppen tevreden op hun buik. Ze hebben me weer te grazen genomen.

Op dat moment, terwijl ik mijn maag voel morren en mijn hoofd lichtelijk draait van de opgekropte illusies, daalt het inzicht langzaam in. Niet alles wat glanst, is goud. Niet alles wat op het buffet ligt, is goed voor je. Het ‘alles-eten-kan’ buffet van het leven zit vol valse beloften en loze verwachtingen. Neem teveel, en je eindigt met Rob en Ans in je maag, knorrend en klagend dat je gewoon te veel hebt gepakt.

Misschien is het tijd om te leren dat minder, écht meer kan zijn. Misschien, zo denk ik terwijl ik voorzichtig mijn hand terugtrek van dat zoveelste idee waar ik eerst in wilde happen, is het wijs om voortaan wat kieskeuriger te zijn. Niet alles wat voor me ligt, hoef ik op mijn bord te leggen. Misschien heeft mijn maag gewoon rust nodig – en ik ook. Ans knikt. Zelfs Rob houdt even op met hakken (met z'n 1000 kleine zwaardjes, weet je nog?). 

Dus hier zit ik nu, met mijn maagzweren als ongenodigde maar wijze gasten. Rob en Ans hebben me op hun eigen pijnlijke manier laten zien dat het buffet van illusies, hoe verleidelijk ook, vaak leidt tot een flinke kater. Maar hé, misschien kan ik ze nog leren dat er in de eenvoud – een klein hapje hier, een guilty pleasure daar – geen plaats is voor hen aan tafel.
En wie weet, op een dag, neem ik afscheid van ze. Dat moment dat ik mijn bord eindelijk weer halfvol houd, niet vanwege een gebrek aan honger, maar omdat ik heb geleerd wat écht voedzaam is.
Tot die tijd blijf ik Rob en Ans voeden. Met voorzichtigheid, hoop ik.

©(voortaan koffieloze) cat_vanders(t)appen - 😉






Reacties

Populaire posts van deze blog

Eindejaarsbiecht

Het afgelopen jaar bracht mij inzichten. Niet het soort inzichten dat je netjes kan noteren in een schriftje, maar inzichten die confronteren, ontregelen en iets afbreken waarvan je dacht dat het je had gevormd — terwijl het je eigenlijk had misvormd. Inzichten zijn welkom, zegt men. Wat men er zelden bij zegt, is dat ze vaak gepaard gaan met rouw. Ik heb dit jaar beslist dat ambitie voor mij geen richting meer is. Doelen wel, maar ambitie als opstijgen, als jezelf voorbijlopen, als hoger, sneller, scherper: ik ben daar niet voor gemaakt. Of misschien beter: ik ben daar niet meer toe bereid. Ik heb lang geloofd dat intellectuele bevrediging een vorm van geluk kon zijn. Altijd maar denken, analyseren, verdiepen, verfijnen. Het heeft mij veel geleerd, maar geen rust gebracht. Wat mij wél iets bracht, was de ontmoeting met leerlingen en studenten. Mensen die mij lieten zien — soms woordeloos, soms expliciet — dat ik iets kan doorgeven. Dat ik iemand ben die (aan)leert, begeleidt, openz...

De onvoltooide man

Drie jaar lang stond ik naast iemand, die tegelijk man was en jongen — en die beide gestalten voortdurend in elkaar lieten overlopen, alsof zijn binnenwereld nog niet had beslist welke leeftijd hij werkelijk wilde zijn. In het begin zag ik daarin iets ontwapenends: een soort lichtheid, een levenskracht, dat vonkje dat je vaker ziet bij mensen die nog geloven dat het leven zou kunnen beginnen zodra ze eraan toe zijn. Tot ik las over wat Marie-Louise von Franz beschrijft als de puer aeternus : de eeuwige jongen die weigert af te dalen in de concrete wereld. Die opgroeit in een fantasieruimte vol mogelijkheden, maar nooit de stap maakt naar verantwoordelijkheid, kiezen, gronden, wortelen. Niet uit koppigheid, maar uit angst. En toen viel hij ineens in dat kader. Niet als diagnose, maar als herkomst. Von Franz schrijft dat de puer leeft op plekken waar hij niet hoeft te blijven. In ideeën, in dromen, in verhalen die altijd nét voor hun realiteit stoppen. Hij blijft zweven boven de aard...

The touch

There are days when the body forgets it is a body. It moves, it functions, it answers its name, but somewhere beneath the surface it drifts— a house with the lights on, quietly empty. The touch brings it back. Not the kind that asks for meaning or leans toward a future it wants to claim. This touch carries no expectation. It arrives the way warmth reaches cold skin, without questions. Skin knows what words refuse to hold. It recognizes the weight of another presence, the simple proof of not being alone. A hand resting where it is allowed to rest. Arms forming a shape in which breathing becomes easier. There is something profoundly human about being held when you no longer know how to gather yourself. Nothing needs to be solved. Nothing needs to be named. Two bodies simply agreeing to remain. The warmth does not perform. It does not shimmer. It settles. It tells the watchful parts of you that they may loosen their grip. And when that touch is gone— when you return to the quiet edge of y...