Doorgaan naar hoofdcontent

Liefdesbrief

Lieve Liefde,

Het is slechts kort geleden dat ik je voor het laatst echt heb gevoeld. Hoewel je vaak komt en gaat, laat je altijd een onuitwisbare indruk achter. Elke keer wanneer je bij me bent, vul je mijn leven met warmte en geluk, alsof alles eindelijk op zijn plaats valt. Maar telkens wanneer ik begin te hopen dat je blijft, glijd je weer weg, alsof je me eraan wilt herinneren dat je nooit helemaal te vangen bent.

Toch, ondanks je grillige aard en het feit dat je nooit lang lijkt te blijven, geloof ik nog steeds in je. Je hebt me zoveel gegeven, zelfs in die momenten van vluchtige aanwezigheid. Je hebt me geleerd wat het betekent om volledig en diep te voelen, om me kwetsbaar op te stellen en om te genieten van het nu, zonder te veel aan morgen te denken.

Ik begrijp dat je niet altijd kunt blijven, en misschien is dat juist de reden waarom je zo kostbaar bent. Jouw vluchtigheid dwingt me om je te waarderen wanneer je er bent en om niet wanhopig vast te houden wanneer je besluit te vertrekken. Toch wil ik je laten weten dat, ongeacht hoe vaak je komt en gaat, ik nooit zal stoppen in jou te geloven. Ik weet dat je altijd weer terug zult komen, op je eigen tijd, op je eigen manier.

Liefde, je blijft een raadsel dat ik koester. Zelfs als je me achterlaat met leegte en vragen, weet ik dat je altijd ergens in de schaduw wacht, klaar om mijn hart opnieuw te vullen wanneer ik dat het minst verwacht.

Ik wacht op je, met geduld en geloof.

Met heel mijn hart,

©at




Reacties

Populaire posts van deze blog

Eindejaarsbiecht

Het afgelopen jaar bracht mij inzichten. Niet het soort inzichten dat je netjes kan noteren in een schriftje, maar inzichten die confronteren, ontregelen en iets afbreken waarvan je dacht dat het je had gevormd — terwijl het je eigenlijk had misvormd. Inzichten zijn welkom, zegt men. Wat men er zelden bij zegt, is dat ze vaak gepaard gaan met rouw. Ik heb dit jaar beslist dat ambitie voor mij geen richting meer is. Doelen wel, maar ambitie als opstijgen, als jezelf voorbijlopen, als hoger, sneller, scherper: ik ben daar niet voor gemaakt. Of misschien beter: ik ben daar niet meer toe bereid. Ik heb lang geloofd dat intellectuele bevrediging een vorm van geluk kon zijn. Altijd maar denken, analyseren, verdiepen, verfijnen. Het heeft mij veel geleerd, maar geen rust gebracht. Wat mij wél iets bracht, was de ontmoeting met leerlingen en studenten. Mensen die mij lieten zien — soms woordeloos, soms expliciet — dat ik iets kan doorgeven. Dat ik iemand ben die (aan)leert, begeleidt, openz...

De onvoltooide man

Drie jaar lang stond ik naast iemand, die tegelijk man was en jongen — en die beide gestalten voortdurend in elkaar lieten overlopen, alsof zijn binnenwereld nog niet had beslist welke leeftijd hij werkelijk wilde zijn. In het begin zag ik daarin iets ontwapenends: een soort lichtheid, een levenskracht, dat vonkje dat je vaker ziet bij mensen die nog geloven dat het leven zou kunnen beginnen zodra ze eraan toe zijn. Tot ik las over wat Marie-Louise von Franz beschrijft als de puer aeternus : de eeuwige jongen die weigert af te dalen in de concrete wereld. Die opgroeit in een fantasieruimte vol mogelijkheden, maar nooit de stap maakt naar verantwoordelijkheid, kiezen, gronden, wortelen. Niet uit koppigheid, maar uit angst. En toen viel hij ineens in dat kader. Niet als diagnose, maar als herkomst. Von Franz schrijft dat de puer leeft op plekken waar hij niet hoeft te blijven. In ideeën, in dromen, in verhalen die altijd nét voor hun realiteit stoppen. Hij blijft zweven boven de aard...

The touch

There are days when the body forgets it is a body. It moves, it functions, it answers its name, but somewhere beneath the surface it drifts— a house with the lights on, quietly empty. The touch brings it back. Not the kind that asks for meaning or leans toward a future it wants to claim. This touch carries no expectation. It arrives the way warmth reaches cold skin, without questions. Skin knows what words refuse to hold. It recognizes the weight of another presence, the simple proof of not being alone. A hand resting where it is allowed to rest. Arms forming a shape in which breathing becomes easier. There is something profoundly human about being held when you no longer know how to gather yourself. Nothing needs to be solved. Nothing needs to be named. Two bodies simply agreeing to remain. The warmth does not perform. It does not shimmer. It settles. It tells the watchful parts of you that they may loosen their grip. And when that touch is gone— when you return to the quiet edge of y...